Waarom is de ene leerling intrinsiek gemotiveerd, terwijl de ander alleen werkt voor een cijfer? Waarom bloeit de ene student op bij vrijheid, terwijl een ander juist vastloopt zonder duidelijke structuur?
Een van de meest invloedrijke motivatietheorieën in het onderwijs is de Zelfdeterminatietheorie (ZDT) van psychologen Edward Deci en Richard Ryan. Deze theorie stelt dat motivatie niet alleen afhankelijk is van beloning of druk, maar van drie fundamentele psychologische basisbehoeften.
De Zelfdeterminatietheorie helpt docenten, onderwijsontwikkelaars en studenten om motivatie beter te begrijpen — én te beïnvloeden.

Uitleg over autonomie, competentie en verbondenheid in motivatie en onderwijs.
Wat is de Zelfdeterminatietheorie?
De Zelfdeterminatietheorie (Self-Determination Theory, SDT) is een motivatietheorie die stelt dat mensen van nature gemotiveerd zijn om te leren en te groeien, mits drie basisbehoeften worden vervuld:
- Autonomie – het gevoel dat je keuzes kunt maken
- Competentie – het gevoel dat je iets kunt en vooruitgang boekt
- Verbondenheid – het gevoel dat je erbij hoort en wordt gewaardeerd
Wanneer deze drie behoeften worden ondersteund, ontstaat intrinsieke motivatie. Wanneer ze worden ondermijnd, daalt motivatie of verschuift deze naar extrinsieke vormen (bijvoorbeeld werken voor cijfers of strafvermijding).
Intrinsieke versus extrinsieke motivatie
Een kernonderdeel van de theorie is het onderscheid tussen twee soorten motivatie:
1. Intrinsieke motivatie
Je doet iets omdat je het interessant of leuk vindt. Bijvoorbeeld:
- een leerling die wiskundepuzzels oplost uit nieuwsgierigheid
- een student die extra literatuur leest uit interesse
2. Extrinsieke motivatie
Je doet iets vanwege een externe prikkel:
- een goed cijfer
- straf vermijden
- sociale druk
De Zelfdeterminatietheorie stelt dat extrinsieke motivatie niet per definitie slecht is, maar dat motivatie sterker en duurzamer is wanneer leerlingen zich autonoom, competent en verbonden voelen.
De drie basisbehoeften uitgelegd
1. Autonomie
Autonomie betekent niet “alles zelf bepalen”. Het betekent dat iemand het gevoel heeft invloed te hebben op zijn of haar keuzes.
In het onderwijs kan autonomie worden ondersteund door:
- keuzevrijheid in opdrachten
- inspraak in werkvormen
- ruimte voor eigen ideeën
Een leerling die begrijpt waarom een opdracht belangrijk is, voelt meer autonomie dan iemand die simpelweg moet uitvoeren.
2. Competentie
Competentie draait om het gevoel dat je iets kunt. Dit ontstaat wanneer:
- taken uitdagend maar haalbaar zijn
- feedback duidelijk en constructief is
- vooruitgang zichtbaar wordt
Te makkelijke opdrachten ondermijnen competentie (verveling). Te moeilijke opdrachten ook (frustratie).
3. Verbondenheid
Leerlingen leren beter wanneer ze zich veilig en gewaardeerd voelen. Verbondenheid ontstaat door:
- positieve docent-leerlingrelaties
- samenwerking tussen leerlingen
- erkenning van inzet
Zonder verbondenheid kan motivatie sterk afnemen, zelfs als autonomie en competentie aanwezig zijn.
Wat betekent dit voor het onderwijs?
De Zelfdeterminatietheorie heeft grote invloed gehad op moderne onderwijsvisies. In plaats van alleen te sturen op prestaties en toetsen, verschuift de aandacht naar motivatieklimaat.
Praktische toepassingen in de klas:
- Geef betekenis aan opdrachten (“waarom leren we dit?”)
- Gebruik formatieve feedback in plaats van alleen cijfers
- Stimuleer samenwerking
- Bied keuzes waar mogelijk
- Vermijd overmatige controle en dreiging
Onderzoek toont aan dat autonomie-ondersteunend onderwijs leidt tot:
- hogere betrokkenheid
- betere leerprestaties
- meer doorzettingsvermogen
Kritiek op de Zelfdeterminatietheorie
Hoewel de theorie breed wordt toegepast, is er ook kritiek:
- Niet alle leerlingen reageren hetzelfde op autonomie
- Culturele verschillen spelen een rol in motivatie
- Extrinsieke prikkels blijven in veel onderwijssystemen dominant
Toch blijft de Zelfdeterminatietheorie een van de meest empirisch onderbouwde motivatiemodellen binnen de onderwijspsychologie.
Zelfdeterminatietheorie in het hoger onderwijs
In het mbo, hbo en wo is motivatie een cruciale factor voor studiesucces. Studenten die autonomie ervaren (bijvoorbeeld via projectonderwijs of keuzeruimte) rapporteren vaak meer betrokkenheid.
Ook in blended learning en online onderwijs is de theorie relevant. Zonder verbondenheid of duidelijke feedback kan motivatie snel afnemen.
Daarom wordt ZDT steeds vaker geïntegreerd in:
- curriculumontwerp
- toetsbeleid
- studiebegeleiding
Voorbeeld uit de praktijk
Stel: twee klassen krijgen dezelfde opdracht.
- In klas A wordt de opdracht strikt opgelegd, zonder uitleg.
- In klas B legt de docent uit waarom de opdracht relevant is en mogen leerlingen kiezen uit twee invalshoeken.
Volgens de Zelfdeterminatietheorie zal klas B waarschijnlijk meer betrokkenheid tonen, omdat autonomie wordt ondersteund.
Het verschil zit niet in de inhoud, maar in de psychologische context.
Waarom deze theorie relevant blijft
In een tijd waarin prestatiedruk toeneemt, is het belangrijk om te begrijpen dat motivatie niet alleen ontstaat door controle of beloning.
De Zelfdeterminatietheorie laat zien dat duurzame motivatie ontstaat wanneer leerlingen:
- invloed ervaren
- zich bekwaam voelen
- zich verbonden weten
En dat is relevant in elk onderwijsniveau — van basisschool tot universiteit.
FAQ – Zelfdeterminatietheorie
Wat is de kern van de Zelfdeterminatietheorie?
Dat motivatie ontstaat wanneer drie basisbehoeften worden vervuld: autonomie, competentie en verbondenheid.
Is extrinsieke motivatie slecht?
Nee, maar intrinsieke motivatie is doorgaans duurzamer en krachtiger.
Hoe pas je de theorie toe in de klas?
Door keuzevrijheid, duidelijke feedback en een veilige leeromgeving te creëren.
Wie ontwikkelde de Zelfdeterminatietheorie?
Edward Deci en Richard Ryan.
Waarom is deze theorie belangrijk voor onderwijs?
Omdat motivatie sterk samenhangt met leerprestaties, betrokkenheid en welzijn.
Lees hier meer.